Eetexpert

Kenniscentrum voor
eet- en gewichtsproblemen

Professionals login

Wachtwoord vergeten? Nu registreren?

Eet- en gewichtsproblemen: voorkomen

VOORKOMEN VAN EETSTOORNISSEN

Eetstoornissen kunnen op elke leeftijd voorkomen, maar ontstaan het vaakst in de adolescentie.

  • Anorexia nervosa treedt meestal voor het eerst op tussen de leeftijd van 14 en 20 jaar; de laatste jaren stelt men echter vast dat magerzucht op steeds jongere leeftijd kan beginnen, reeds vóór de puberteit.
  •  Boulimia nervosa ontstaat in het algemeen op iets latere leeftijd dan anorexia nervosa, meestal tussen 16 en 25 jaar.
  •  De eetbuistoornis volgt het patroon van boulimia nervosa, maar kan ook al vóór de puberteit beginnen.

Eetstoornissen worden overwegend gezien bij meisjes en vrouwen in de welvarende geïndustrialiseerde landen . In de tabel staat een overzicht van onderzoeksgegevens in Europa. Het gaat om het percentage van mensen in de bevolking die in hun leven een eetstoornis hebben gehad, de zogenaamde „lifetime prevalence‟ (Bron: www.eetexpert.be; Nieuwsbrief nr 8, juli 2009).

Tabel: Voorkomen (percentage) van eetstoornissen in de bevolking

 

Het aantal mannen met een eetstoornis blijkt erg klein voor de drie officiële diagnosen van eetstoornis; alleen voor eetbuien komt een duidelijk cijfer naar voor: 1.2%. Wat de cijfers voor vrouwen betreft, moet men ermee rekening houden dat het percentage slaat op de totale bevolking boven 18 jaar (dus ook bejaarden). Beperkt men de gegevens tot de leeftijdgroep 18-29 jaar dan kan men de cijfers ongeveer verdubbelen. Houden we hiermee rekening, zeker gezien eetstoornissen nog meer voorkomen in de leeftijdgroep 10-20 jaar, dan komen we ruwweg tot volgende schatting van eetstoornissen bij Belgische vrouwen tussen 10 en 30 jaar: 3.7% anorexia nervosa, 3.8% boulimia nervosa, 4.4% eetbuistoornis, 6.8% allerlei eetbuien. In totaal (gelijk welke eetstoornis) komen we op een prevalentie van 10.3%. Dit betekent dat in ons land een op de tien vrouwen ooit tussen 10 en 30 jaar een eetstoornis kan ontwikkelen.

België komt globaal in het onderzoek op de tweede plaats na Frankrijk en vertoont opvallend hogere cijfers dan Nederland. Dit is een nieuw gegeven want bij gebrek aan onderzoek in België ging men er vroeger vanuit dat we de epidemiologische cijfers uit Nederland voor ons land konden overnemen.

Andere belangrijke bevindingen uit dit onderzoek hebben betrekking op comorbiditeit en behandeling. Eetstoornissen gaan vaak gepaard met andere psychiatrische aandoeningen, met name angst- en stemmingsstoornissen. In het geval van anorexia nervosa is dit 42.1%, bij boulimia nervosa 69.4% en bij eetbuistoornis 62.2%. Opvallend laag in dit Europese onderzoek is het aantal personen die professionele hulp zochten: 35% bij anorexia nervosa, 48% bij boulimia nervosa en 30% bij de overige eetstoornissen (Bron: www.eetexpert.be; Nieuwsbrief nr 8, juli 2009).


VOORKOMEN VAN GEWICHTSPROBLEMEN

Nationale gezondheidsenquête
In 2013 werd in België de vijfde nationale gezondheidsenquête georganiseerd door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid. Hieruit blijkt dat 48% van de Belgische volwassenen te veel weegt; 34% heeft overgewicht (BMI tussen 25 en 30), en 14% is obees (vanaf BMI 30). De gemiddelde BMI van de Belg is 25,4. Bij 3% is er sprake van ondergewicht (BMI < 18,5). Van de Belgische kinderen (2-17 jaar) weegt 20% te veel; 13% heeft overgewicht, en 7% is obees. Het zijn vooral de jongste kinderen waarbij obesitas vaak voorkomt: 11% van de 2-4 jarigen en 9% van de 5-9 jarigen, tegenover 4% van de 10-17 jarigen. Deze cijfers weerspiegelen een toename in gewicht(status) bij de Belgische bevolking in het voorbije decennium. Ondergewicht bleef stabiel.


Eerdere edities van deze enquête vonden plaats in 1997, 2001, 2004 en 2008. De enquête bij 10 000 landgenoten had betrekking op vier grote domeinen: (1) gezondheidstoestand, (2) leefstijl en preventie, (3) medische consumptie, en (4) gezondheid en samenleving. Wanneer men gezondheid door middel van een enquête wil meten, moet men er zich steeds van vergewissen dat de verkregen informatie afkomstig is van de betrokkene zelf, waardoor dit subjectief gekleurd is. Het ervaren gezondheidsgevoel speelt daarbij altijd een rol. Binnen deze beperking gaat het zowel om vragen die betrekking hebben op meer objectieve gegevens (zoals lengte en gewicht) als om vragen die meer subjectieve concepten betreffen (zoals een vraag over de tevredenheid over de eigen gezondheidstoestand). Hier geven we kort de samenvatting van de belangrijkste bevindingen over de ‘voedingstoestand’ van de Belgen.

De Belgische mannen zijn zwaarder dan de vrouwen, en overgewicht neemt ook toe met de leeftijd (tot 75 jaar). Overgewicht komt vaker voor bij personen met een lagere SES.  Vlaanderen en Brussel vertonen een positiever beeld dan Wallonië op vlak van overgewicht. De gemiddelde BMI-waarde voor volwassenen in het Vlaams Gewest is 25,3, en de verbanden met geslacht, leeftijd en SES zijn analoog aan deze van België. Ook in Vlaanderen zien we een lineaire stijging in het gemiddelde gewicht sinds 2001.

Wat ondergewicht betreft, zien we dat dit vaker voorkomt bij vrouwen dan mannen (4% versus 2%) en zowel bij mannen als vrouwen het vaakst voorkomt op jongvolwassen leeftijd (18-34 jaar). De prevalentie van ondergewicht neemt ook terug toe op oudere leeftijd (75+). In Vlaanderen kampt 4% van de vrouwen en 1% van de mannen met ondergewicht. Zowel op nationaal als Vlaams niveau is er geen verband met SES of urbanisatiegraad.

Wanneer we de voedings- en beweeggewoonten bekijken, zien we dat vrouwen, kinderen en ouderen meer fruit eten. Anderzijds eten vrouwen en kinderen eten ook het meest zoete en zoute snacks (snoep, chocolade, chips) op dagelijkse basis. Meer dan de helft van de kinderen tot 14 jaar eten dagelijks dergelijke snacks. Ontbijten is een dagelijkse gewoonte voor 4 op 5 Belgen. In het algemeen kan de consumptie van groenten en fruit een stuk beter, slechts 12% eet de aanbevolen 5 porties groenten en fruit per dag. De dagdagelijkse groenteconsumptie is afgenomen sinds 2008. Slechts de helft van de bevolking drinkt voldoende water, en meer dan een kwart (26%) van de Belgen drinkt dagelijks gesuikerde frisdranken. Deze gewoonte leeft vooral bij jongvolwassenen en mannen. Vrouwen en hoger opgeleiden hebben over het algemeen betere eetgewoonten, en de eetgewoonten zijn ook beter in de steden dan in landelijke gebieden.

Waar vrouwen het beter doen dan mannen op vlak van gezonde voeding, doen mannen het beduidend beter op vlak van beweging. In het algemeen haalt 36% van de Belgen (40% van de Vlamingen) de aanbeveling om 30 minuten per dag (matig) fysiek actief te zijn, maar het gaat om dubbel zoveel mannen als vrouwen.  Fysieke activiteit daalt ook met de leeftijd. Echter, ook in de hoogste leeftijdscategorie (75+) is de mannelijke bevolking veel actiever dan de vrouwelijke. Verder blijkt dat mannen actiever geworden zijn de voorbije jaren, waar vrouwen minder actief geworden zijn. De kloof neemt dus verder toe. Op nationaal niveau zien we ook dat personen met een lage SES en personen uit stedelijke gebieden minder bewegen.

 (Bron: www.eetexpert.be; Nieuwsbrief nr 26, december 2014).

 

Nationale voedselconsumptiepeiling

Op 17 november 2015 lanceerde het Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid de eerste resultaten van de Nationale Voedselconsumptiepeiling, een bevraging bij 3200 Belgen rond hun voedingsgewoonten en verschillende verwante (voedsel)gezondheidsindicatoren. Het eerste rapport zoemt in op voedingsgewoonten (zoals eetstructuur, plaats van de maaltijd, en voedingsregels), antropometrie (bv. BMI en buikomtrek) en voedingsbeleid (bv. hoe staat de Belg ten opzichte van diverse preventiecampagnes). De bevraging vond plaats in 2014. De vorige peiling dateert van 2004. 

 

Wat betreft de gewichtsgegevens, zien we dat de globale metingen in dezelfde lijn liggen dan deze van de gezondheidsenquête. Uit de metingen van de voedselconsumptiepeiling blijkt dat 45% van de steekproef te veel weegt, waarbij 29% overgewicht heeft en 16% obees is. De gemiddelde BMI van de volwassenen is 26,3. De helft van de steekproef heeft een verhoogde buikomtrek. De prevalentie van overgewicht en obesitas is hoger in de hogere leeftijdsgroepen en bij lagere SES-groepen. Overgewicht komt vaker voor bij mannen, de geslachtsverdeling van obesitas is daarentegen gelijk.

 

Verder wordt gerapporteerd:

 

“De percentages van personen met overgewicht en obesitas nemen toe met de leeftijd: er is meer bepaald een “sprong” waar te nemen tussen enerzijds kinderen en adolescenten en anderzijds volwassenen. Bij de volwassen bevolking vertoont de prevalentie van personen met overgewicht een lineaire stijging naarmate de leeftijd toeneemt. Deze stijging is significant na correctie voor geslacht. Het percentage personen met obesitas is lager in de leeftijdsklasse tussen 18 en 34 jaar (12,4%) dan in de leeftijdsklasse tussen 35 en 50 jaar (20,7%) (OR 0,55; BI 95% 0,34-0,87) en de leeftijdsklasse tussen 51 en 64 jaar (25,3%) (OR 0,42; BI 95% 0,26-0,68). Deze verschillen zijn significant na correctie voor geslacht. Vanaf 35 jaar heeft meer dan één derde van de bevolking overgewicht en heeft meer dan één vijfde obesitas.”

 

Rond buikomtrek/lengte verhouding rapporteert de voedselconsumptiepeiling het volgende:

 

“In 2014 heeft 54,8% van de Belgische bevolking tussen 10 en 64 jaar een buikomtrek/lengte verhouding die wijst op het eerste risiconiveau met betrekking tot metabole en  cardiovasculaire ziekten die samenhangen met abdominale obesitas. Deze prevalentie is hoger bij mannen (60,5%) dan bij vrouwen (48,9%). Dit verschil is significant na correctie voor leeftijd (OR 1,91; BI 95% 1,44-2,52). De verschillen die worden waargenomen tussen mannen en vrouwen doen zich voornamelijk voor bij de leeftijdsgroep tussen 35 en 64 jaar. De kans om het risiconiveau van 0,5 te overschrijden varieert ook met de leeftijd: de prevalentie is 20,2% bij adolescenten tussen 10 en 13 jaar en neemt vervolgens toe tot 82,2% bij personen tussen 51 en 64 jaar. Er wordt een “dal” waargenomen voor de leeftijdsklasse van 14 tot 17 jaar (een prevalentie van 14,8%), maar dit percentage verschilt niet significant van het percentage dat bij de allerjongsten wordt waargenomen na correctie voor geslacht.”

 

 

OBESITASEPIDEMIE IN 2030?

De ‘European Obesity Conference’ in Praag deed in de pers wat stof opwaaien. Op 6 mei werden de resultaten van een voorspellingsoefening voorgesteld door Dr. Joao Breda van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). In de media verschenen berichten over een ware obesitasepidemie in 2030, en in het bijzonder voor onze Belgische vrouwen was de berichtgeving onheilspellend.  

Ziet de toekomst van onze gezondheid er wel degelijk zo slecht uit dat 4/5 van de vrouwen overgewicht zullen hebben en leveren de maatschappelijke inspanningen in de strijd tegen obesitas dan niets op? Nee. Hoewel overgewicht en obesitas nog steeds toenemen, lijkt de toename in verschillende landen te vertragen, ook in België. Wanneer we de cijfers van de Nationale Gezondheidsenquête erop naslaan (waarop de voorspellingsstudie zich baseerde) zien we dat in 2008 40 procent van de vrouwen kampte met overgewicht, en dat percentage steeg in 2013 tot 42 procent (i.p.v. de aangehaalde 68 procent in de studie). Bij de mannen leed 54 procent in 2008 aan overgewicht, vijf jaar later was dat 55 procent. Het percentage obese mannen en vrouwen schommelt al enkele jaren rond de 14 procent. Onze Belgische cijfers liggen dicht bij de Nederlandse cijfers en doen ons geloven dat sterke inzet op preventie, goede vroegdetectie en doordachte zorg op maat stilaan renderen. 

De Belgische cijfers moedigen aan voor verderzetting maar ook voor blijvende aandacht rond goede preventie, accurate vroegdetectie, en kwaliteitsvolle zorg! 

 

Share: